Overbruggingslijfrente
Een overbruggingslijfrente is een tijdelijke lijfrente die toekomt aan de belastingplichtige en eindigt in het jaar waarin deze de 65-jarige leeftijd bereikt of het jaar waarin de belastingplichtige een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten. De ingangsdatum van de lijfrente is vrij.
Vanaf het belastingjaar 2006 zijn premies voor een overbruggingslijfrente niet meer aftrekbaar en is het niet meer mogelijk om een overbruggingslijfrente op te bouwen. Op al op 31 december 2005 bestaande lijfrenteverzekeringen is overgangsrecht van toepassing.
Van een op 31 december 2005 bestaande premiebetalende lijfrenteverzekering kan een deel van de uitkering bij leven, ter grootte van maximaal de waarde van de lijfrenteverzekering per 31 december 2005, worden gebruikt voor de aankoop van een overbruggingslijfrente. Ook naar 2005 teruggewentelde premies mogen worden begrepen in deze waarde. Is een lijfrenteverzekering op 1 januari 2006 premievrij dan mag de gehele uitkering bij leven, inclusief de waardeaangroei vanaf 1 januari 2006, worden aangewend voor een overbruggingslijfrente.
Overgangsrecht voor op 31 december 2000 bestaande lijfrenteverzekering
In verband met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) op 1 januari 2001 kan overgangsrecht van toepassing zijn op lijfrenteverzekeringen die op 31 december 2000 al bestonden. Dit overgangsrecht is omvangrijk en ingewikkeld. Wij volstaan met een beknopte weergave van een aantal relevante punten.
Lijfrenteverzekering niet aangepast; geen aftrek lijfrentepremies
Als een op 31 december 2000 bestaande lijfrenteverzekering niet is aangepast aan de eisen van de Wet IB 2001, dan kunnen de op of na 1 januari 2001 betaalde lijfrentepremies niet meer in aftrek worden gebracht.
Lijfrentetermijnen belast volgens oude regels
Voor bepaalde op 31 december 2000 bestaande lijfrenteverzekeringen is goedgekeurd dat het inkomen uit deze lijfrenteverzekering wordt bepaald volgens de oude fiscale regels (Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals geldend op 31 december 2000). De lijfrentetermijnen uit dergelijke verzekeringen worden (onder voorwaarden) in Box 1 belast voor zover de uitkeringen de niet voor aftrek in aanmerking komende premies of koopsom overtreffen (saldomethode).
Het overgangsrecht is van toepassing op lijfrenteverzekeringen die voldoen aan één van onderstaande categorieën.
A. Lijfrenteverzekering met premieaftrek vóór 1 januari 2001
- de verzekering bestaat op 31 december 2000 en
- de vóór 1 januari 2001 betaalde lijfrentepremies kwamen voor aftrek in aanmerking.
B. Lijfrenteverzekering zonder premieaftrek vóór 1 januari 2001 (saldolijfrenteverzekering)
- de verzekering is gesloten vóór 14 september 1999 en
- de vóór 14 september 1999 betaalde lijfrentepremies kwamen niet voor aftrek in aanmerking of
- de op of na 14 september 1999 en vóór 1 januari 2001 betaalde lijfrentepremies bedroegen niet meer dan € 2.269 per kalenderjaar per lijfrentecontract en kwamen niet voor aftrek in aanmerking.
C. Lijfrenteverzekering zonder premieaftrek vanaf 1 januari 2001
- de verzekering is gesloten vóór 14 september 1999 en de premiebetalingen zijn op of na 14 september 1999 niet verhoogd (premieverhoging op basis van een normale of gebruikelijke optieclausule is wel toegestaan) en
- de op of na 1 januari 2001 betaalde lijfrentepremies bedragen per verzekering niet meer dan € 2.269 per kalenderjaar en zijn niet als premies voor een lijfrenteverzekering in de zin van de Wet IB 2001 in aftrek gebracht. Voor zover de niet afgetrokken premies hoger zijn dan € 2.269 per jaar, zijn de regels van de Wet IB 2001 van toepassing.
Met ingang van 1 januari 2021 is het overgangsrecht niet meer van toepassing op de categorieën B en C. Uiterlijk op 31 december 2020 dient dan ook in Box 1 verplicht te worden afgerekend over de waarde in het economisch verkeer (WEV) van de polis. Op verzoek is over de afrekening in Box 1 het 45%-tarief van toepassing.